De weg wijzen is één ding. De weg vrijhouden blijkbaar ook.
Een inclusieve openbare ruimte vraagt om meer dan geleidelijnen.
Wat is hier aan de hand?
Met voelbare ribbels wijst een geleidelijn mensen met een visuele beperking de weg. Een mooi staaltje toegankelijk ontwerp, zou je zeggen. Ware het niet dat de route eindigt in een fietsenstalling die spontaan lijkt te zijn ontstaan. Er zijn namelijk geen officiële fietsenstalmogelijkheden op deze plek. Op papier klopt het ontwerp, maar de praktijk heeft andere plannen.
Wat voor effect heeft dit?
Voor iemand die goed ziet, is het een kwestie van even slalommen tussen de fietsen door. Voor iemand die afhankelijk is van de geleidelijn, kan dezelfde situatie leiden tot onzekerheid, een omweg of zelfs een onveilige situatie. Dat is de ironie van toegankelijkheidsbeleid: we kunnen prachtige richtlijnen opstellen, hoogwaardige materialen toepassen en zorgvuldig ontwerpen, maar als we vervolgens vergeten hoe de openbare ruimte dagelijks wordt gebruikt, blijft inclusie vooral een papieren ambitie. Toegankelijkheid zit namelijk niet alleen in ontwerp en inrichting maar net zo goed in gebruikersgedrag, beheer én handhaving. Een geleidelijn zonder vrije doorgang is als een verkeersbord achter een boom: technisch aanwezig, praktisch weinig behulpzaam.
Wat kun jij ermee?
Kijk als professional openbare ruimte niet alleen naar de vraag of voorzieningen aanwezig zijn, maar vooral naar de vraag of ze bruikbaar zijn en blijven. Handhaving is meestal niet de oplossing. Pas de inrichting aan als het ongewenste gebruik aanzienlijk en hardnekkig is, zoals op bijgaande foto. Stel bijvoorbeeld logische fietsparkeerplekken beschikbaar. Maak afspraken over wie verantwoordelijk is voor het signaleren, oplossen én voorkomen van blokkades. Neem geleidelijnen, vrije looproutes en obstakelvrije doorgangen mee in inspectierondes. En betrek mensen met een visuele beperking daarbij: zij ervaren vaak precies waar het op papier goed geregeld lijkt, maar buiten niet werkt.
0 reacties